Het ‘boerkaverbod’ verdedigt onze vrijheden

boerka2Het hoge woord is eruit: het kabinet komt met een wettelijk verbod op gezichtsbedekkende kleding, op straffe van een geldboete. Hoewel het voorstel van de regering een afgeslankte variant is van de in 2005 aangenomen motie-Wilders, wordt het voorstel fel bekritiseerd. Is een ‘boerkaverbod’ een inperking van de vrijheid van godsdienst of een verdediging van onze vrije samenleving?

De vrijheid van godsdienst is volgens onze grondwet ieders recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Het is een ieder vrij zijn of haar godsdienst openlijk te belijden, een fel bevochten grondrecht, waaruit later onze huidige rechtstaat ontstaan is. De positie van religie is een discutabele, met haar grondwettelijk verankerde vrijheden dikmaals als onderwerp van politieke discussie. De vrijheid van godsdienst geldt wat mij betreft echter voor iedere religie, of het nou de islam betreft, of het christendom.

Ook voor volgers van de fundamentalistische islam is in mijn ogen plaats in Nederland, zolang zij zich (en daar gaat het vaak al fout) onderwerpen aan grondwettelijk verankerde rechten. Maar bij die rechten horen ook, minstens net zo belangrijke, plichten. Samenleven doe je immers met elkaar, niet naast elkaar. Het door tegenstanders van het boerkaverbod gesuggereerde argument dat een verbod op gezichtsbedekkende kleding ongrondwettelijk is lijkt hierdoor gebaseerd op een soort vrijbrief met als excuus de ‘vrijheid van godsdienst’. Dit druist echter regelrecht in met de fundamenten van onze rechtsstaat en onze vrije Westerse samenleving. Een monopolie op basis van de vrijheid van godsdienst is immers een vrijbrief om ‘verder te gaan’ in vrijheid en privilege dan niet-gelovigen. Is dat dan democratisch? Artikel 1 van de grondwet stelt namelijk dat iedereen die zich in Nederland bevindt gelijk behandeld wordt, ongeacht de religieuze achtergrond.

We moeten de godsdienstvrijheid verdedigen en in stand houden, maar nooit misbruiken voor politieke doeleinden van religieuze groepen. Het prediken van haat en antisemitisme, het oproepen tot jihad tegen de Westerse wereld en het bewust segregeren in aparte gemeenschappen valt zodoende in een grensgebied van wat wel en wat niet kan. Religieuze opvattingen mogen kwetsend zijn, de gekwetste kiest er namelijk zelf voor zich gekwetst te voelen, maar mogen nooit religie boven constitutie plaatsen.

En binnen die constitutie en onze rechtstaat kan een parlement besluiten over te gaan een tot verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kledij, in welke vorm dan ook. Het argument dat dit een verbod op een religieuze uiting betreft, is in deze context onjuist. Te meer omdat het voorstel dat de regering in zal dienen geen expliciet verbod op een religieus kledingstuk betreft en die gedachte dus een associatie is die moslims en andere tegenstanders zélf aanhalen als tegenargument. Ook de vraag of een vrouw de boerka uit vrije wil draagt of niet is niet relevant, omdat dit individuele gevallen zijn en door iedereen anders geïnterpreteerd kunnen en mogen worden.

Onze vrije samenleving en democratische rechtsstaat moeten niet belemmerd worden door een zogenaamd oneindige vrijheid van godsdienst, die direct in strijd is met andere verworvenheden en zichzelf een uitgezonderde positie geeft. De vrijheid van godsdienst is een groot goed en onderscheidt ons van totalitaire systemen, maar mag nooit een legitimering van niet met onze rechtsstaat te rijmen religieuze uitwassen zijn.